zaterdag 31 juli 2010

Gratis af te halen. Twee full carbon velgen. Succes niet verzekerd.




Zou Pieter Weening niet meer onder ons zijn, dan had hij zich vier keer in zijn graf omgedraaid. Vier keer, net zo vaak als dat Harko vandaag in de Pieter Weening Classic hulpeloos langs de kant van de weg stond met zijn achterwiel in zijn handen. En hij niet alleen. Want minstens net zo hulpeloos, of was het moedeloos, stonden ook Aart en ondergetekende regelmatig langs de kant van de weg. Met dat ene verschil. Ons materiaal was wel in orde.




Het was maar goed dat Aart er was. Aart, nu nog uitkomend voor de Hilversumse Adelaars zal het komend seizoen hoogstwaarschijnlijk het kopmanschap van de Dijkridders op zich nemen. Tenzij, tenzij....Harko er in slaagt om van zijn velgen af te komen.
Aart had namelijk wel een fietspompje bij zich. Wat een geweldig goed idee van hem bleek te zijn. Hoe komt-ie erop. Alsof het wel vaker voor kan komen. Dat je lek rijdt, bedoel ik.
Maar je rijdt niet lek heb ik geleerd. Je hebt ook geen lekke band. Nee, je bent lek. Je rijdt in een pelotonnetje van zo'n 30 man. Kilometertje of 37 per uur en dan roep je: “Ik ben lek”. Althans dat deed Harko nadat we zo'n kilometer of 20 onderweg hadden en ik het uitzicht had op een paar welgevormde damesbenen.
Harko had inderdaad een lekke band maar was zelf niet lek. Nog niet althans. Maar dat kwam snel. Hij had het bandje nog niet gewisseld of drie Friese steekbeesten namen bezit van zijn geschoren benen en plaatsen welgemeend hun ventiel in de benen van onze kopman. Ventiel? Terwijl het bloed in drie dunne straaltjes langs de kuiten het Friese bermgras bezoedelden bleek er een majeur probleem gerezen te zijn. Het ventiel.
Prachtig hoor die hoge carbonvelgen maar dan moet je ook reservebandjes bij je hebben met extra lange ventielen. Want, in de velg zit een gat. In dat gat steek je het ventiel. Door het ventiel pomp je de band op. Is het ventiel te kort, dan kun je de band dus niet oppompen. Ook niet als je probeert om zo'n ventiel kunstmatig te verlengen met nog een ventiel. Dan kun je het Aart niet kwalijk nemen dat zijn pompje niet in staat is om een barretje of 8 in zo'n rubber ding te krijgen. En dat mijn pompje het tweede ventiel de nekslag toebrengt is dan ook te verwachten.
Na drie kwartier utteren langs de kant van de weg vervolgden wij onze weg naar Beetsterzwaag. Halfzacht dan. Het genot dat de fietsenmaker (2e stop) in Beetsterzwaag verschafte was van korte duur. Aart had een mooie nieuwe band voor Harko in gedachten.
Maar Harko was toen nog niet zo ver.




In Appelscha was de band weer zo plat als een dubbeltje.






Oeps, maar nu ga ik iets te snel. Want in Appelscha kom je niet zo maar. Na weer zo'n kilometer of twintig verder te zijn geraakt kreeg ik weer van die vage hongerklopachtige verschijnselen. Het tempo moest fors omlaag en ik probeerde in zo een kort mogelijke tijd zoveel mogelijk te eten. Twee van de drie zorgvuldig bechocopastaade krentebollen van Harko ( hij heeft ook goede kanten) en een reepje propte ik naar binnen.
Even later werden we ingehaald door twee mannen. “Haak maar aan”, zei ik tegen Harko. “Weet je het zeker?” vroeg hij. En daar ging ons treintje met al spoedig locomotief Harko op kop. Ai, soms kon ik maar moeilijk volgen. Maar het lukte. Aart had nergens problemen mee. Regelmatig dook hij op om te informeren of het goed ging en liet zich vervolgens afzakken om weer wat foto's te maken. Liet ik een gaatje vallen dan dook hij weer op en bracht me terug bij het pelotonnetje. Met het grootste gemak sleurde Harko ons naar Appelscha.
Aart en ik keken verlekkerd naar het appelgebak bij de controlepost maar dat vond onze kopman geen goed idee. Het zou gaan regenen en we konden maar beter voortmaken. Een half uurlater stonden we bij de slechts 500 meter verderop gelegen supermarkt. Ik moest koeken hebben. Harko wilde lucht hebben, in zijn band ( stop 3). Een voorbijganger vertelde een goede pomp in zijn auto te hebben. Een half uur later stonden we bij de slechts 500 meter verderop gelegen fietsenzaak. Harko had nog even gespeeld met de gedachte om door te fietsen naar Zevenhuizen en dan naar Leek om een bandje (met lang ventiel) op te halen, maar koos er toch voor om een nieuw bandje bij de plaatselijke fietsenboer te kopen (stop 4).
Aart en ik dachten aan de appeltaart. We hadden wel tijd gehad om vijf punten naar binnen te werken.
Toen ging het snel. Aart wilde graag voor het donker thuis zijn en begon op kop te sleuren. Zo hard zelfs dat hij Margrethe die zich in Niebert langs de kant van de weg had geposteerd dreigde te missen. Nog even tijd voor de laatste koek.



Pittig waren die laatste kilometers voor mij. Ik kom duidelijk veel tekort bij zoveel ervaring maar wat een strijd om te proberen om bij ze te blijven. Na 100 kilometer Classic gleden we over de klinkertjes van Surhuisterveen. Het zat erop. Voor zover we gefietst hadden hadden we een gemiddelde gereden van 30 km/u. Even later zaten we op het terras. Eindelijk de appeltaart. We namen afscheid van Aart en vervolgden onze tocht naar Leek. De 150 km moest en zou worden gehaald. Het werden er anderhalf meer.

Aart en Harko: dank jullie wel! Het was me een waar genoegen.

donderdag 29 juli 2010

Nog twee nachtjes slapen ...

en dan is het tijd voor de Pieter Weening Classic.
Eindelijk een tocht in de achtertuin van de Dijkridders.
Jammer dat er maar twee (Harko en ik)meedoen maar dat wordt gecompenseerd door Aarts aanwezigheid.
Zo langzamerhand mogen we Aart ook wel een Dijkridder noemen.
We gaan voor de 100 kilometer maar dat zouden er ook weleens 150 kunnen worden als we de rit Leek-Surhuisterveen v.v. meetellen.
Nu maar hopen op een beetje redelijk weer.

zaterdag 24 juli 2010

Polar Own Optimizer


Mijn hartslagmeter is onder meer voorzien van de Polar Own Optimizer test. Met deze test worden diverse hartslagwaardes gemeten en met elkaar vergeleken. En ….. van commentaar voorzien.
Op 20 juli kreeg ik de mededeling dat mijn hartslag al langere tijd constant was en dat ik waarschijnlijk al een tijdje geen intensieve training had gedaan. Toch een merkwaardig bericht want de avond ervoor was ik lekker met Wim bezig geweest.
Dan maar op woensdagavond een heuvelprogrammaatje in de sportschool. Maar ook dat had kennelijk geen effect. Sterker nog, meneer Polar sprak van een stagnerende training. Ik moest nu toch echt wat gaan doen. Meer intensieve of langere trainingsessies luidde het advies.
Dus vrijdagochtend rond een uurtje of half elf vertrok ik voor een langere D1 duurtraining. De Garmin had een mooie route voor me bedacht met af en toe wat stukken onverhard maar wel goed te doen. Eindpunt was de Waddenzee, bij Moddergat-Paesens. Heen een zwakke wind tegen en terug dus in de rug. Prachtig weer zodat Schiermonnikoog en Ameland goed zichtbaar waren.

Afstand: 112 km
Gem. snelheid: 25,6 km
Gem hartslag: 110
Gem trapfrequentie: 90

Kortom naar mijn idee een perfecte D1.
Meneer Polar Own Index is het eens met mij want hij schaalde mij vandaag weer in op een normaal niveau.

maandag 19 juli 2010

Mijn eerste brommer


Ik heb er nooit één gehad.
Ik heb het ook niet echt gemist.
Als zestienjarige ben ik nooit echt gegrepen door het net geen 50cc virus.
En de ervaringen die ik heb zijn ook niet geweldig.
De tocht bij Pa achterop van Hilversum naar Den Haag eindigde met twee lichtgewonden, kapotte kleding, en een boze moeder. Pa moest alleen terug in het pikkedonker vanuit Den Haag naar Hilversum. Ik met de trein.
De crossbrommer op het veldje achter de Hilversumse Meent. Ik had nog nooit met versnellingen gereden en eindigde tot grote hilariteit van de “echte jongens” in een greppel.
Het automaatje dat Pa -was het niet voor zijn vijftigste verjaardag?- kreeg. Een supergelikte Honda Camino met sterwieltjes maar niet vooruit te branden.
Nee, weinig positieve herinneringen aan brommers. Behalve dan die keren dat ik achter op de Honda met kakstuur van Guido zat. Met 110 km/uur over de Brediusweg in Bussum zodat we een tussenuur konden doorbrengen in café De Koperen Kraan.
Ik heb er nooit één gehad.
Ik heb het ook niet echt gemist.


“Wim gaat vanavond fietsen”, zei Mirjam. “Ik heb het nog niet zien liggen maar volgens mij heeft hij een heel schema om te trainen voor de Ventoux, hij wil iedere avond op de fiets”. “Nadat hij de documentaire over de Ventoux heeft gezien maakt hij zich ernstig zorgen”.

“Een uurtje volle bak”, zei Wim. “Om beurten op kop, dan hebben we een soort intervaltraining”. Ik hield mijn hart vast na het debakel van vorige week. Zag dit toch wel een beetje als ultieme test. Dus goed eten deze keer en op de spinningfiets maar even in fietsen. Het mocht nu niet fout gaan. En het ging niet fout.
Geholpen door de geweldige weersomstandigheden, nauwelijks wind, draaiden we een lekker tempo. Net toen ik voor de zoveelste keer wilde overnemen werden we ingehaald door een mannetje of vijf. “Klamp maar aan” luidde het commando. Ik klampte aan. Het tempo ging omhoog. Helemaal ongelukkig was ik niet toen de groep in Norg rechtsaf sloeg en wij naar links gingen. Van Norg naar Roden. En toen......

“Pas op, een brommer”, riep Wim. En ja hoor, half doof als ik ben hoorde ik het geluid van een naderend rijwiel met hulpmotor. Zou ik …....? Het was een Tomos, althans dat stond op het zadel. Ik aarzelde niet en sprong in zijn achterwiel. En als een klein TGVtje denderden wij over het fietspad. Vijfenveertig jaar en eindelijk mijn eerste brommer.

Niet moe maar zeer voldaan stonden wij na een uurtje fietsen met een gemiddelde van 34,6 km/u weer op de Dijklaan. “Volgens mij heb je nu wel stof voor een stukje”; zei Wim.